Hoe kan het beste bepaald worden of een nanoproduct veilig is of niet? In aansluiting op de discussie op het Nanopanel, een samenvatting van een onderzoek naar goede praktijken op de werkvloer.
Nanomaterialen worden internationaal op brede schaal ontwikkeld en toegepast, en
dit is ook merkbaar in de wetenschap en het bedrijfsleven in Nederland. In rap
tempo worden nieuwe materialen en toepassingen ontwikkeld op zeer verschillende
gebieden in diverse sectoren. De huidige bezorgdheid rondom nanotechnologieën
spitst zich voornamelijk toe op het gebruik en de gevaren van synthetische, moeilijk
afbreekbare nanodeeltjes met een afmeting kleiner dan 100 nm (0.1 µm). De
vraagstelling van dit onderzoek concentreerde zich op deze groep nanodeeltjes en in
het bijzonder op de goede prakt ijken in de omgang met deze deeltjes, de aandacht
voor nanodeeltjes in de risico-inventarisatie en de communicatie in de keten over
eventuele gevaren van nanodeeltjes in producten en/of grondstoffen. Het onderzoek
diende gebaseerd te zijn op een representatieve steekproef uit het Nederlandse
bedrijfsleven en kennisinstellingen, waarbij ook de aard van gebruikte nanodeeltjes,
het volume van gebruik en het aantal potentieel blootgestelde werknemers in kaart
moest worden gebracht.
Er is momenteel geen eenduidig overzicht van Nederlandse bedrijven en instellingen
die in de Nanotechnologie actief zijn. Voor dit onderzoek zijn 122 instellingen
benaderd die eventueel met nanodeeltjes werken. Daarvan vielen 62 bedrijven af;
voor een groot deel omdat ze wel werkzaam waren binnen de nanotechnologie, maar
in het geheel geen synthetische nanodeeltjes gebruikten en dus niet tot de doelgroep
van het onderzoek behoorden (n=49), en deels omdat men geen nanodeeltjes
binnen de Nederlandse vestiging gebruikte (n=8). Zestig bedrijven behoorden wel
tot de doelgroep, waarvan uiteindelijk 37 ( 26 bedrijven en 11 kennisinstellingen)
medewerking verleend hebben aan bedrijfsbezoek plus interview. Het aantal MKB
binnen de bedrijven bedroeg 11 op 26 (42 %), waarbij zowel producenten (n=5) als
gebruikers (n=6) zaten. Op basis van de interviews met deze bedrijven komen we
tot de volgende bevindingen en conclusies, die zijn gerangschikt onder de
onderzoeksvragen uit de oorspronkelijke onderzoeksopzet.
Vraag 1: In welke situaties (branches/toepassingen) wordt gewerkt met nanodeeltjes
en hoe groot is de groep blootgestelden?
De meeste toepassingen werden gevonden in oppervlakten en coatings met
onderzoek als een goede tweede. Veruit het belangrijkste toepassingsgebied blijkt
materialen te zijn (15/37). De nanodeeltjes die in de grote hoeveelheden worden
gebruikt zijn carbon black, amorf silica en aluminiumoxides. Het gebruik van deze
nanodeeltjes bedraagt meerdere tonnen per jaar en valt te verklaren uit hun
aanwezigheid op de markt gedurende enkele decennia. Alle andere nanodeeltjes
(o.a. nanotubes, nanozilver, ijzeroxides) worden in kleinere hoeveelheden gebruikt
dan wel geproduceerd. Binnen de totaal betrokken populatie werknemers in de
survey (41.000) verrichten naar schatting rond de 400 werknemers regelmatig
werkzaamheden met nanodeeltjes in verschillende vormen.
Ongeveer de helft hiervan werkt bij bedrijven waar carbon black, amorf silica en
metaaloxiden worden verwerkt. In de kennisinstellingen werken 137 mensen met
diverse nanoproducten meestal in de ontwikkelingsfase. De hoeveelheden
experimentele, synthetische nanodeeltjes liggen tussen 1 en 100 gram per jaar.
Vraag 2: Welke maatregelen nemen bedrijven en instellingen nu op de verschillende
niveau’s van arbeidshygiënische strategie om de blootstelling te beheersen?
Er is bij de bedrijven een bewustzijn ten aanzien van eventuele risico’s van
nanodeeltjes en bijna alle onderzochte bedrijven (92 %) hebben een risicoanalyse
uitgevoerd of zijn hier nog mee bezig. Deze risicoanalyse is echter in lang niet alle
gevallen formeel vastgelegd in de Risico-inventarisatie & Evaluatie (RI&E). De
meeste bedrijven en instellingen (n=25; 68 %) voeren de risicoanalyse uit op het
niveau van de concrete toepassing of project waarbij blootstelling aan nanodeeltjes
relevant zou kunnen zijn. Bij 5 van deze bedrijven (20 %) is de oordeelsvorming nog
niet afgerond, en de rest geeft aan dat er geen restrisico’s zijn bij de huidige
bedrijfsvoering en pakket van maatregelen. Bij slechts 3 bedrijven is dit o
ordeel
echter onderbouwd door middel van blootstellingsmetingen. Bijna een kwart van de
bedrijven geeft aan dat men risico’s afdekt via gestelde beleidsprincipes. De
benaderingen die door deze bedrijven worden gehanteerd zijn echter behoorlijk
verschillend en lijken gebaseerd op a) Keuzes vooraf over de aard van de
nanomaterialen die worden ingezet, b) Nanomaterialen in algemene zin beschouwen
als toxische stof, en c) Keuzes over de verschijningsvorm van de nanomaterialen. De
keuze om nanomaterialen niet in poedervorm te gebruiken, maar uitsluitend in een
matrix of om de nanomaterialen zo snel mogelijk in dispersie te brengen, blijkt een
van de belangrijkste peilers in het beleid van bedrijven te zijn.
Vraag 3: Indien van toepassing, wat zijn de overwegingen voor bedrijven om geen
(verdere) blootstellingbeperkende maatregelen te nemen?
• Slechts 3 bedrijven gaven aan dat zij geen maatregelen nemen om
blootstelling te beperken. In 2 gevallen was dit erg voor de hand liggend
omdat nog geen productie plaatsvond. In een ander bedrijf is men niet zeker
of nanodeeltjes wel in het halffabrikaat voorkwamen. Andere bedrijven gaven
aan geen verdere maatregelen dan huidige te nemen, omdat men redelijk
overtuigd is van de effectiviteit ervan.
Vraag 4: Wat zijn de goede praktijken?
• De aard van de toegepaste arbeidshygiënische beheersmaatregelen hangt
samen met het voorkomen en de vorm van de nanodeeltjes. Bedrijven die
nanodeeltjes geheel of gedeeltelijk in poedervorm gebruiken doen dit in de
helft van de gevallen in een zoveel mogelijk gesloten systeem. Daarnaast was
lokale ventilatie de belangrijkste maatregel.
• Over de gehele linie is ventilatie de meest toegepaste beheersmaatregel,
waarbij zowel zuurkasten (n=19) als andere vormen van lokale ventilatie
(n=9) worden toegepast, al dan niet met HEPA filters. Deze filters zijn
effectief gebleken in het filteren van nanodeeltjes uit omgevingslucht.
• Organisatorische maatregelen, zoals het beperken van het aantal
blootgestelde werknemers of het beperken van de blootstellingsduur, wordt
slechts in 5 bedrijven actief toegepast als beheersmaatregel.
• Bedrijven die uitsluitend nanomaterialen in een matrix gebruiken, nemen over
de gehele linie minder arbeidshygiënische maatregelen dan bedrijven die met
nanopoeders werken. In de eerste categorie bedrijven werd slechts in 25%
van de gevallen in gesloten systemen gewerkt en werd in 56% van de
gevallen ventilatie gebruikt.
• Er zijn geen grote verschillen zichtbaar in maatregelen tussen bedrijven en
kennisinstellingen. Kennisinstellingen doen iets meer aan voorlichting en
instructie aan betrokken werknemers. Over de hele linie worden echter
dezelfde type maatregelen ingezet.
• Recent is een aantal documenten verschenen in de internationale literatuur
met richtlijnen voor het veilig werken met nanodeeltjes op de werkvloer. De
mate van diepgang en concreetheid varieert sterk per document. In het
rapport zijn de standpunten van de verschillende instanties naast elkaar
gezet. De bedrijven die de risico’s proberen af te dekken door het stellen van
een aantal beleidsprincipes m.b.t. de introductie en omgang met
nanomaterialen (meestal in combinatie met een set van concrete
beheersmaatregelen) maken bewust of onbewust gebruik van een aantal
criteria voor goede praktijken die in de literatuur worden genoemd. Hoewel de
benaderingen die door de bedrijven in dit onderzoek worden gebruikt
verschillend zijn, is op dit moment niet aan te geven welke de beste
benadering is om de risico’s in voldoende mate af te dekken, mede omdat de
validatie van de diverse benaderingen nog ontbreekt. Naarmate er meer
onzekerheden zijn over de potentiële risico’s van bepaalde synthetische
nanodeeltjes lijkt het raadzaam om meer elementen uit de beschikbare
richtlijnen ten uitvoer te brengen.
Vraag 5: Wat is er te zeggen over de effectiviteit van huidige goede praktijken?
• Over de effectiviteit van de gebruikte maatregelen is weinig bekend
aangezien er nauwelijks systematisch wordt gemeten. Slechts 8% van de
bedrijven heeft op één of andere manier blootstellingsmetingen uitgevoerd
naar nanodeeltjes. De geringe beschikbaarheid van goedkope hands-on
apparatuur en/of geavanceerde meetapparatuur voor het meten van
deeltjesaantallen en -grootte spelen hierin een rol.
• In slechts een klein aantal gevallen gaat de risicoanalyse gepaard met het
uitvoeren van metingen naar nanodeeltjes. De risicobeoordeling is dus in veel
gevallen niet onderbouwd met metingen (zie ook voorgaande statement).
• Er is duidelijke behoefte aan informatie over goede praktijken over het
werken met nanodeeltjes in andere landen en/of sectoren, alsook praktische
informatie over effectiviteit van ventilatie, filters en persoonlijke
beschermingsmiddelen. Verspreiding van beschikbare informatie (zie pag. 15)
is een aandachtspunt.
Vraag 6: Hoe kan de kennis over goede praktijken het best worden verspreid?
• Het lijkt raadzaam om het complete overzicht van de richtlijnen over goede
praktijken (samenvatting in dit rapport, paragraaf 1.4) ter beschikking te
stellen aan de Nederlandse bedrijven.
• De meeste gebruikers van nanodeeltjes of producten met nanodeeltjes
zouden voordeel hebben bij een expertisecentrum dat h kan helpen met
en vragen over goede praktijken en de effectiviteit hiervan. Het
expertisecentrum zou moeten functioneren als een onafhankelijke vraagbaak
en support bij vragen over het monitoren van blootstelling aan nanodeeltjes
in lucht, water en werkplekken. Het lijkt raadzaam een dergelijk
expertisecentrum virtueel op te zetten, waarbij gebruik gemaakt wordt van
expertise en apparatuur van de nationale centra op gebied van
nanotechnologie.
• Een database van bedrijven die nanodeeltjes maken en/of gebruiken is
noodzakelijk om de disseminatie naar de juiste partijen uit te voeren.
Daarnaast kan men hiermee een beter beeld krijgen en houden van waar met
nanodeeltjes wordt gewerkt , of producten worden gemaakt waar nanodeeltjes
uit vrij kunnen komen. De in dit onderzoek ontwikkelde database kan als
startversie dienen, aangevuld met gegevens uit branches,
onderzoeksprogramma’s en octrooi-informatie.
• Het communiceren van goede praktijken naar een best-practices richtlijn voor
het werken en omgaan met nanodeeltjes in diverse vormen is een onmisbaar
instrument voor bedrijfsleven en Arbo-diensten om het omgaan met
nanodeeltjes duidelijker zichtbaar te maken en te verbeteren. De in dit
rapport opgenomen richtlijn (paragraaf 4.2) is hiervoor een eerste aanzet.
Vraag 7: Welke gezondheids- en veiligheidsinformatie over nanodeeltjes wordt
uitgewisseld in de keten?
• De informatie-uitwisseling in de keten is gebrekkig. Bij de helft van de
bedrijven vindt geen enkele informatieverstrekking plaats in de keten over de
aanwezigheid en risico’s van nanodeeltjes, noch vanuit leveranciers, noch
naar de klanten. Daartegenover staan weer een beperkt aantal leveranciers
die een zeer actieve houding hebben naar afnemers van hun product rondom
eventuele risico’s van nanodeeltjes.
• De veiligheidsinformatiebladen zeggen in de meeste gevallen niets over de
aanwezigheid dan wel de risico’s van nanodeeltjes in het product en
nanodeeltjes zijn daarmee onvoldoende herkenbaar en identificeerbaar. Hier
moeten duidelijke richtlijnen komen, in afwachting van internationale
richtlijnen, om de informatievoorziening in de keten te verbeteren.
Vraag 8: Hoe gaan bedrijven die nanodeeltjes produceren en/of toepassen in (half)
fabrikaten om met hun nanodeeltjeshoudend afval?
• Bij vrijwel alle bedrijven (92%) wordt nanodeeltjeshoudend afval afgevoerd
binnen de reguliere bedrijfsafvalstromen en wordt vooralsnog niet als aparte
afvalstroom beschouwd.
• De aard van het nanomateriaal en/of de aard van de matrix waarin de
nanomaterialen zitten, bepalen met welke afvalstroom het materiaal
meegaat.
Conclusies.
37 bedrijven hebben actief meegedaan aan het bedrijfsbezoek en interview en dit is,
ook gezien de intensieve benadering, een hoge respons gelet op op het aandeel van
de bedrijven dat zich wel relevant acht(62 %, n=60) of 30 % van de totale
benaderde populatie. Dit is hoog in vergelijking met onderzoeken in het buitenland
(response rate: 7-21 %). Wel blijkt duidelijk uit vergelijking met onafhankelijke
gegevens dat een aantal grotere spelers in Nederland niet heeft meegedaan. Hoewel
het onmogelijk is aan te geven welke invloed dit zou hebben op de kwalitatieve en
kwantitatieve uitkomsten van de survey, sluiten de resultaten van het onderzoek
goed aan bij internationale bevindingen. De meest gebruikte nanomaterialen, zijn die
van het eerste uur (carbon black, metaaloxides, en amorf silica), toen deze
materialen nog niet als “nano” werden gekenmerkt . Opvallend is ook het uniforme
beleidsprincipe bij bedrijven om nanodeeltjes zoveel mogelijk in een matrix te
gebruiken. Ook ten aanzien van de gebruikte beheersmaatregelen, en effectiviteit
ervan zijn de resultaten in overeenstemming met eerdere onderzoeken in Europa en
de rest van de wereld. Hoewel niet veel bedrijven in Nederland nanodeeltjes
produceren, doen kennisinstellingen dat wel. Binnen beide sectoren is men zich
duidelijk bewust van de discussies rondom eventuele risico’s van nanodeeltjes. De
bestaande regelgeving en richtlijnen voor toxische stoffen worden niet altijd goed
nageleefd. Dit is zichtbaar in de heterogeniteit van de communicatie binnen de
keten, maar ook in onvolledigheid van de veiligheidsinformatiebladen, hoewel deze in
deze studie niet als zodanig zijn bestudeerd.
Belangrijk voor de toekomst en specifiek beleid ten aanzien van nanomaterialen, is
de vraag hoe de productie zal groeien en in welke processen dit zal gaan
plaatsvinden. Ook is het belangrijk te weten hoe groot het aantal blootgestelde
werknemers zal worden en in welke ketens de blootstelling via producten met
nanodeeltjes zal worden verspreid. Vanuit die optiek lijkt het zinvol om sectoren
waar met coatings op basis van nanodeeltjes wordt gewerkt nauwgezet te volgen.
Drie bedrijven geven aan dat wanneer de onderzoeksfase is afgesloten, en tot
productie wordt overgegaan, de hoeveelheden en aantal blootgestelde werknemers
snel zullen stijgen. Dit geldt voor toepassingen in textiel, de automobielsector en
keramische toepassingen. Deze nieuwe toepassingen zullen snel enkele duizenden
kilo’s nanomaterialen betreffen binnen 5 jaar. Daarom is het aan te bevelen een
survey zoals deze in dezelfde of gewijzigde aanpak in Nederland de komende tien
jaar minimaal tweemaal te herhalen, gezien de snelle groei van toepassingen van
nanomaterialen en de penetratie van de markt. Zowel de aard als de hoeveelheid
van de materialen dient daarbij nauwkeurig te worden gevolgd en in kaart te worden
gebracht.
Bron: Arboportaal
Log in om e-mails bij nieuwe reacties te ontvangen.7 Reacties
- wij willen coating producten op waterbasis op de merkt brengen... deze zijn reeds sinds 2004 op de duitse en andere markten te vinden zonder problemen.reageer
- Nu graag de mening van de experts over hun bevindingen tijdens dit onderzoek. Moeten medewerkers in het Nederlandse bedrijfsleven zich zorgen gaan maken? De bedrijven lijken overtuigd van het effect van de maatregelen, maar er worden nauwelijks metingen verricht, dit wringt een beetje bij mij. WEten bedrijven waaar men mee bezzig is? Risicobeoordelingen zijn niet onderbouwd met metingen. In de helft van gevallen wordt met gesloten systemen gewerkt. Bij de overige bedrijven is dus een blootsteling van medewerkers mogelijk. Zelfs bij de onderzoeksinstellingen worden geen metingen uitgevoerd naar blootstelling. Op deze plaatsen waar de samenstelling, grootteverdeling etc. waarschijnlijk onbekend zijn, weet men niet wat het betekent voor medewerkers in termen van blootstelling.reageer
- Ik sluit me hierbij aan, ik denk dat metingen inderdaad nuttig en noodzakelijk zijn om de blootstelling te karakteriseren. Wat ik niet kan inschatten is hoe makkelijk of moeilijk die metingen zijn.reageer
- Dit lijkt op het kip-ei probleem: we willen de risico's weten van nanodeeltjes als we ermee aan de slag gaan, maar daarvoor moeten we wel de nanodeeltjes een keer gaan gebruiken anders zullen we nooit de gevolgen ervaren.reageer
- Een onleesbaar artikel waarbij de percentages om de oren worden gesmeten, wat de verhaallijn niet bevorderd. Ik ben het met de opmerking van Wouter van Hoof eens dat de beoordelingen compleet niet onderbouwd zijn met metingen. Uit mijn periode als promovendus, waarbij ik veelvuldig in aanraking ben geweest met carbon nanotubes, is mij alleen verteld om op te passen en de juiste voorzorgsmaatregelen te nemen: gebruik van flowsystemen, handschoenen, brillen, etc.. In die periode heb ik nooit iemand van de Arbo gezien die metingen heeft verricht hoeveel nanodeeltjes er daadwerkelijk vrijkwamen tijdens de experimenten.reageer
- Ik heb een aantal artikelen bekeken, maar ben het volgende niet tegengekomen (of misschien niet goed gezocht) vandaar dat ik mijn opmerking hier maar plaats: Nederland wil een kenniseconomie zijn (alhoewel de investeringen een beetje achterblijven, maar dit terzijde), welke rol kan nanotechnologie hierin spelen? Kan het een nieuwe potentiele industrietak opleveren en voldoende nieuwe werkgelegenheid verschaffen voor alle lagen van de bevolking? Of komt het niet verder dan een niche?reageer
- Uit het rapport van de RIVM "Nanotechnologie in perspectief"heb ik begrepen dat er geen goede apparatuur is om nanodeeltjes te meten. Het lijkt mij dan ook zinning om hier zo snel mogelijk verandering in aan te brengen opdat we de veiligheid van de mensen die hiermee werken kunnen garanderen.reageer